Wereldoriëntatie

Voor wereldoriëntatie maken we op de Columbusschool in de groepen 3 tot en met 8 gebruik van IPC (International Primary Curriculum). Dit houdt in dat we werken in projectvorm en verschillende vakken met elkaar verbinden. Van vakantie tot vakantie werken we aan één thema. Hierbij ligt de focus vooral op vaardigheidsdoelen (bijvoorbeeld bronnen verzamelen, een muurkrant maken, onderzoek doen of samenwerken). Kennisdoelen gebruiken we om aan de vaardigheden te werken.

Ieder project is op dezelfde manier opgebouwd.

Beginfase

We beginnen altijd met een uitdagende startactiviteit, denk hierbij bijvoorbeeld aan het samenstellen van noodpakketten voor het geval er een watersnood dreigt. In de kennisoogst inventariseren we wat de kinderen al weten over het onderwerp. Dit kan door middel van een mindmap of een andere werkvorm gebeuren, er zijn tal van mogelijkheden. Na de kennisoogst is het dan tijd om de kinderen te vertellen welke doelen centraal staan in het nieuwe thema, dit doen we bij de uitleg van het thema.

Kern

Na de openingsweek beginnen we met lessen geven bij de verschillende vakgebieden. Ieder thema heeft weer andere vakgebieden. Zo is er in het thema ‘Natte voeten’ aandacht voor geschiedenis, muziek, aardrijkskunde, natuur en internationaal. Mens en samenleving komt in dat thema minder naar voren, maar zal in het thema ‘Wie ben ik?’ weer meer plaats krijgen.

Afsluiting

Ieder project sluiten we ook af met de kinderen. We kijken terug op wat er allemaal geleerd is en wat er nog te leren is.

In iedere klas is er een IPC-muur. Op deze muur zijn alle fasen van het project te vinden en is te zien wat er al geleerd is. Na iedere activiteit verzamelen de kinderen namelijk bewijzen van leren die op de muur gedeeld worden. Zo is dus ook aan de muur al te zien hoe ver het project gevorderd is.

Het mooie aan IPC is dat werken op verschillende niveaus makkelijker wordt, omdat ieder kind aan dezelfde vaardigheid kan werken zonder deze vaardigheid op hetzelfde niveau te beheersen.
Als voorbeeld: Het doel zou kunnen zijn: “Ik kan een plattegrond maken.” Het ene kind tekent een plattegrond van de klas en is daarmee al behoorlijk in ontwikkeling. Een ander kind is al verder en kan ook al een duidelijke legenda maken of de plattegrond op schaal tekenen.